Belasting werkelijk rendement box 3 berekenen (vanaf 2029)

Vergelijk voorlopige scenario's voor box 3 in 2029, met belasting over jaarlijkse waardeverandering of gerealiseerde winst op beleggingen. Het voorstel behoudt € 1.800 heffingsvrij resultaat.

Rekentool Belasting over werkelijk rendement box 3 (vanaf 2029)

Nieuw voorstel van 3 november 2026: € 1.800 heffingsvrij resultaat per persoon. De verlaging naar € 1.000 uit het oude concept is vervallen.

Nog geen definitieve wet. De novelle van 3 november belast winst op financiële instrumenten bij realisatie en behoudt € 1.800 vrij resultaat. Rente en dividend tellen jaarlijks mee. Invoering is beoogd in 2029, of alsnog in 2028 als dat verantwoord uitvoerbaar blijkt. Verschillen en actuele status.

1. Jouw situatie
2. Vermogen
Vermogensbestandsdeel 1
€
in 2029

Jouw belasting over werkelijk rendement box 3 in 2029

Belasting box 3:
Novelle 3 november 2026 · voorlopig
Invoering is beoogd in 2029. Alleen als verantwoorde invoering alsnog mogelijk blijkt, kan dit 2028 worden. Het voorstel is nog niet aangenomen.
Resultaat volgens dit plan: € 0
Heffingsvrij resultaat: € 1.800
Belastbaar inkomen uit sparen en beleggen: € 0
Geef jouw beoordeling na je berekening.

Indicatie vóór persoonlijke heffingskortingen en verrekening van dividendbelasting. Beide scenario’s rekenen met 36%, 3,35% vastgoedbijtelling en € 500 verliesdrempel per persoon uit het eerdere voorstel. De conceptnovelle behoudt deze regels; de parlementaire goedkeuring en invoeringsdatum staan nog open. Bekijk alle uitgangspunten.

Berekening

Berekening belasting werkelijk rendement box 3

OmschrijvingBedrag
Resultaat volgens gekozen plan€ 0
Benut heffingsvrij resultaat−€ 0
Belastbaar inkomen (minimaal € 0)=€ 0
Tarief box 3×36%
Belasting box 3=€ 0

Wat kun je berekenen?

  • De belasting over werkelijk rendement in box 3 vanaf 2029.
  • Je rendement op sparen, beleggen en vastgoed.
  • Aftrekbare kosten, schulden en verliezen.
  • De novelle van 3 november 2026 en het eerdere aanwasmodel ter vergelijking.
  • Het effect van € 1.800 heffingsvrij resultaat per persoon.
Beoordelingen van anderen
9/10(3 reviews)
Geef jouw beoordeling na je berekening.
Gerelateerd nieuws

Veelgestelde Vragen

Bekijk hieronder de antwoorden op de meest gestelde vragen. Staat jouw vraag er niet bij, wil je meer weten, of heb je feedback of suggesties? Neem dan contact met ons op.

De novelle van 3 november 2026 gaat uit van invoering in 2029 en handhaaft € 1.800 heffingsvrij resultaat per persoon. De verlaging naar € 1.000 uit het eerdere concept is geschrapt. Invoering in 2028 blijft alleen een mogelijkheid als die alsnog verantwoord uitvoerbaar blijkt. De Tweede en Eerste Kamer moeten de plannen nog goedkeuren.

Voor 2028 blijft volgens de huidige planning het forfaitaire stelsel met tegenbewijs gelden. De berekening hier illustreert het voorgestelde nieuwe stelsel in 2029. Het eerdere aanwasmodel is alleen als systeemvergelijking beschikbaar. Bron: memorie van toelichting bij de novelle.

Bij € 2.000 spaarrente zonder kosten bedraagt de voorgestelde belasting (€ 2.000 − € 1.800) × 36% = € 72. Bij fiscale partners geldt samen € 3.600 vrij resultaat. Dit is een jaarlijkse resultaatvrijstelling, geen vast vrijgesteld vermogen.

Beide vergelijkingsmodellen gebruiken € 1.800. Bij beleggingen verschilt het moment waarop de waardeontwikkeling meetelt: realisatie in de novelle, jaarlijkse aanwas in het eerdere ontwerp.

Bij vermogensaanwasbelasting betaal je belasting over het rendement dat je in dat jaar behaalt. Denk aan rente, dividend en de waardestijging of daling van je beleggingen in datzelfde jaar. Het gaat dus om de jaarlijkse “aanwas” van je vermogen.

Bij vermogenswinstbelasting telt de waardeverandering pas mee als je die realiseert, bijvoorbeeld bij verkoop of overdracht. Ontvangen rente en dividend blijven wel jaarlijks belast, ook als je die herbelegt. Niet de volledige verkoopopbrengst, maar de opbrengst minus de fiscale verkrijgingsprijs en bijbehorende kosten telt mee.

Het eerdere wetsvoorstel gebruikt aanwas als hoofdregel, met winstbelasting voor vastgoed en kwalificerende startups. De novelle van 3 november breidt winstbelasting uit naar financiële instrumenten. De ingediende novelle van 3 november gebruikt voor al aanwezige financiële instrumenten de waarde in het economische verkeer op 1 januari 2029 als startwaarde. Bij gelijksoortige stukken geldt de gemiddelde verkrijgingsprijs, ook bij gedeeltelijke verkoop. Deze conceptregels zijn nog niet definitief.

De conceptnovelle van 2 oktober laat direct gehouden crypto, zoals bitcoin in een wallet, en overige bezittingen in 2029 nog onder jaarlijkse aanwas vallen. Financiële instrumenten vallen in dit scenario onder vermogenswinst. Een crypto-ETF of ander financieel instrument met crypto als onderliggende waarde valt daarom in de tool onder Beleggingen. De verdere uitbreiding naar overige vermogensbestanddelen is beoogd voor 2030, maar valt buiten deze novelle.

Vul bij crypto ook opbrengsten zoals staking of lending in als ze in box 3 vallen. Een ontvangen token kan zowel in de eindwaarde als in de opbrengsten zitten: neem de ontvangstwaarde dan ook bij Aankopen op om dubbeltelling te voorkomen. Bij Overige bezittingen vul je bijvoorbeeld beleggingsgoud in. Persoonlijk gebruikte spullen zijn doorgaans geen box 3-beleggingen.

Beide scenario’s rekenen met 36% belasting, 3,35% vastgoedbijtelling en een verliesdrempel van € 500 per persoon. De conceptnovelle behoudt de eerdere regels voor kostenaftrek en verliesverrekening. De novelle van 3 november handhaaft € 1.800 vrij resultaat. Ook de invoering in 2029 is nog onzeker.

Voor 2029 worden geen verliezen van vóór de invoering verrekend. Een negatief jaarresultaat boven de verliesdrempel tonen we als mee te nemen verlies, zonder directe belastingteruggaaf. Bij fiscale partners gebruiken we gezamenlijke bedragen en 50/50-verdeling, inclusief een gezamenlijke verliesdrempel van € 1.000. De vrijstelling wordt per jaar toegepast en ongebruikte vrijstelling wordt niet opgespaard.

Vastgoed: de huurinkomsten tellen bij minstens 90% verhuur binnen de bezitsperiode; anders geldt het hoogste van huur en vastgoedbijtelling. Alleen kosten die uitsluitend bij verhuur horen zijn aftrekbaar. De bijtelling gebruikt de WOZ-beschikking voor het rekenjaar (bij een woning) of beginjaarwaarde (bij een niet-woning), naar rato van de bezitsdagen. De startwaarde voor verkoopwinst staat hiervan los. Een aankoop én verkoop in hetzelfde jaar, bouwperioden en bijzondere vastgoedrechten worden niet gemodelleerd.

De uitkomst is een deelberekening vóór persoonlijke heffingskortingen, persoonsgebonden aftrek, dividendbelasting en buitenlandse belastingverrekening. Bijzondere situaties zoals emigratie, erfenis, schenking, optiestrategieën, vreemde valuta, afwaardering van vorderingen en doorschuifregelingen vragen een aparte beoordeling. Gebruik de tool voor gewone box 3-situaties; het is geen volledige aangifteberekening. Bedragen worden intern ongerond berekend en de belasting wordt naar beneden afgerond op hele euro’s.

Vergelijk rendement en belasting in box 3

Bekijk de berekeningen voor je vermogen en rendement. Let bij het vergelijken op het belastingjaar en de regels die elke tool gebruikt.
Bereken hoeveel belasting je moet betalen in box 3 over je vermogen.
Bereken je werkelijk rendement in box 3 en vergelijk deze met het fictief rendement. Ontdek of je belasting kunt terugkrijgen via de tegenbewijsregeling.
Bereken eenvoudig het rendement en eindkapitaal van een investering of belegging na looptijd.