Belasting werkelijk rendement box 3 berekenen (vanaf 2028)

Bereken je box 3-belasting volgens het nieuwe kabinetsplan voor 2028, met vermogenswinstbelasting op beleggingen en € 1.000 heffingsvrij resultaat per persoon.

Rekentool Belasting over werkelijk rendement box 3 (vanaf 2028)

Nieuw plan van 29 september 2026: het kabinet wil vanaf 2028 winst op aandelen, ETF’s, obligaties en andere financiële instrumenten bij realisatie belasten. Het heffingsvrije resultaat daalt daarbij van € 1.800 naar € 1.000 per persoon. Rente en dividend blijven jaarlijks meetellen.

Nog geen definitieve wet. Test hieronder het nieuwe plan of het eerdere wetsvoorstel. Invoering in 2028 en de precieze regels zijn nog onzeker. Verschillen en aannames.

1. Jouw situatie
2. Vermogen
Vermogensbestandsdeel 1
€
in 2028

Jouw belasting over werkelijk rendement box 3 in 2028

Belasting box 3:
Kabinetsplan 29 september 2026 · voorlopig
Resultaat volgens dit plan: € 0
Heffingsvrij resultaat: € 1.000
Belastbaar inkomen uit sparen en beleggen: € 0
Geef jouw beoordeling na je berekening.

Indicatie vóór persoonlijke heffingskortingen en verrekening van dividendbelasting. Beide scenario’s rekenen met 36%, 3,35% vastgoedbijtelling en € 500 verliesdrempel per persoon uit het eerdere voorstel. Voor het nieuwe plan zijn dit rekenaannames totdat de wetswijziging is uitgewerkt. Bekijk alle uitgangspunten.

Berekening

Berekening belasting werkelijk rendement box 3

OmschrijvingBedrag
Resultaat volgens gekozen plan€ 0
Benut heffingsvrij resultaat−€ 0
Belastbaar inkomen (minimaal € 0)=€ 0
Tarief box 3×36%
Belasting box 3=€ 0

Wat kun je berekenen?

  • De belasting over werkelijk rendement in box 3 vanaf 2028.
  • Je rendement op sparen, beleggen en vastgoed.
  • Aftrekbare kosten, schulden en verliezen.
  • Het nieuwe kabinetsplan en het eerdere wetsvoorstel.
  • Het effect van € 1.000 of € 1.800 heffingsvrij resultaat.
Beoordelingen van anderen
9/10(3 reviews)
Geef jouw beoordeling na je berekening.
Gerelateerd nieuws

Veelgestelde Vragen

Bekijk hieronder de antwoorden op de meest gestelde vragen. Staat jouw vraag er niet bij, wil je meer weten, of heb je feedback of suggesties? Neem dan contact met ons op.

De Kamerbrief van 29 september 2026 kondigt aan om financiële instrumenten, zoals aandelen, ETF’s, obligaties en opties, vanaf 2028 onder vermogenswinstbelasting te brengen. De verdere uitbreiding naar overige vermogensbestanddelen is beoogd voor 2030. Het heffingsvrije resultaat wordt € 1.000 per persoon in plaats van € 1.800. Rente, dividend en huur blijven jaarlijks meetellen.

Het eerdere wetsvoorstel is op 12 februari 2026 door de Tweede Kamer aangenomen, maar de stemming in de Eerste Kamer is uitgesteld. Het kabinet wil het voorstel wijzigen via een novelle. Die uitwerking en parlementaire goedkeuring staan nog open; 1 januari 2028 is de beoogde, onzekere invoeringsdatum.

Deze tool laat beide scenario’s voor 2028 testen. De 2027-plannen en een volledig stelsel vanaf 2030 worden hier niet berekend. Bron: Kamerbrief, pagina 3–4.

Bij hetzelfde positieve jaarresultaat en 36% belasting kan de lagere vrijstelling maximaal € 288 extra belasting per persoon betekenen: € 800 × 36%. Met een fiscaal partner is dat maximaal € 576 samen.

Voorbeeld: € 2.000 spaarrente, zonder aftrekbare kosten. Alleenstaand betaal je in het eerdere voorstel (€ 2.000 − € 1.800) × 36% = € 72. In het nieuwe plan is dat (€ 2.000 − € 1.000) × 36% = € 360. Bij 2% rente hoort bij € 1.000 vrij resultaat € 50.000 spaargeld; dat is geen vaste vermogensvrijstelling.

Voor beleggingen verandert ook het moment waarop winst meetelt. Daardoor kan het totale verschil groter zijn of juist in je voordeel uitvallen. Wissel bovenin van plan en vul voor elk plan de bijbehorende beleggingenvelden in. De tool vergelijkt één jaar, niet het effect over je hele beleggingsduur.

Bij vermogensaanwasbelasting betaal je belasting over het rendement dat je in dat jaar behaalt. Denk aan rente, dividend en de waardestijging of daling van je beleggingen in datzelfde jaar. Het gaat dus om de jaarlijkse “aanwas” van je vermogen.

Bij vermogenswinstbelasting telt de waardeverandering pas mee als je die realiseert, bijvoorbeeld bij verkoop of overdracht. Ontvangen rente en dividend blijven wel jaarlijks belast, ook als je die herbelegt. Niet de volledige verkoopopbrengst, maar de opbrengst minus de fiscale verkrijgingsprijs en bijbehorende kosten telt mee.

Het eerdere wetsvoorstel gebruikt aanwas als hoofdregel, met winstbelasting voor vastgoed en kwalificerende startups. Het nieuwe scenario breidt winstbelasting uit naar financiële instrumenten. Voor het bepalen van de winst op al aanwezige beleggingen nemen we de waarde op 1 januari 2028 als startwaarde aan; de wettelijke overgangsregels en methode voor gedeeltelijke verkoop moeten nog worden uitgewerkt.

De aangekondigde uitbreiding in 2028 gaat over financiële instrumenten. Daarom rekenen we direct gehouden crypto, zoals bitcoin, en overige bezittingen voorlopig nog met jaarlijkse aanwas. Dit is de afbakening van ons scenario in afwachting van de novelle. Een crypto-ETF of ander financieel instrument met crypto als onderliggende waarde valt in de tool onder Beleggingen.

Vul bij crypto ook opbrengsten zoals staking of lending in als ze in box 3 vallen. Een ontvangen token kan zowel in de eindwaarde als in de opbrengsten zitten: neem de ontvangstwaarde dan ook bij Aankopen op om dubbeltelling te voorkomen. Bij Overige bezittingen vul je bijvoorbeeld beleggingsgoud in. Persoonlijk gebruikte spullen zijn doorgaans geen box 3-beleggingen.

De nieuwe brief werkt niet alle fiscale regels uit. De tool combineert daarom de aangekondigde winstbelasting voor financiële instrumenten en € 1.000 vrijstelling met de eerdere parameters: 36% belasting, 3,35% vastgoedbijtelling en een verliesdrempel van € 500 per persoon. Dit zijn voor het nieuwe scenario aannames, geen definitief vastgestelde regels.

Voor 2028 worden geen verliezen van vóór de invoering verrekend. Een negatief jaarresultaat boven de verliesdrempel tonen we als mee te nemen verlies, zonder directe belastingteruggaaf. Bij fiscale partners gebruiken we gezamenlijke bedragen en 50/50-verdeling, inclusief een gezamenlijke verliesdrempel van € 1.000. De vrijstelling wordt per jaar toegepast en ongebruikte vrijstelling wordt niet opgespaard.

Vastgoed: de huurinkomsten tellen bij minstens 90% verhuur binnen de bezitsperiode; anders geldt het hoogste van huur en vastgoedbijtelling. Alleen kosten die uitsluitend bij verhuur horen zijn aftrekbaar. De bijtelling gebruikt de WOZ-beschikking voor het rekenjaar (bij een woning) of beginjaarwaarde (bij een niet-woning), naar rato van de bezitsdagen. De startwaarde voor verkoopwinst staat hiervan los. Een aankoop én verkoop in hetzelfde jaar, bouwperioden en bijzondere vastgoedrechten worden niet gemodelleerd.

De uitkomst is een deelberekening vóór persoonlijke heffingskortingen, persoonsgebonden aftrek, dividendbelasting en buitenlandse belastingverrekening. Bijzondere situaties zoals emigratie, erfenis, schenking, optiestrategieën, vreemde valuta, afwaardering van vorderingen en doorschuifregelingen vragen een aparte beoordeling. Gebruik de tool voor gewone box 3-situaties; het is geen volledige aangifteberekening. Bedragen worden intern ongerond berekend en de belasting wordt naar beneden afgerond op hele euro’s.

Vergelijk rendement en belasting in box 3

Bekijk de berekeningen voor je vermogen en rendement. Let bij het vergelijken op het belastingjaar en de regels die elke tool gebruikt.
Bereken hoeveel belasting je moet betalen in box 3 over je vermogen.
Bereken je werkelijk rendement in box 3 en vergelijk deze met het fictief rendement. Ontdek of je belasting kunt terugkrijgen via de tegenbewijsregeling.
Bereken eenvoudig het rendement en eindkapitaal van een investering of belegging na looptijd.